Hock Advocatuur

Uitspraken

 

Kort geding: Rechtbank Midden Nederland 17 mei 2017 – loondoorbetaling bij ziekte – vier weken termijn

Onlangs is door de kort geding rechter bepaald dat een werkgever gehouden is om het loon door te betalen bij ziekte omdat er na een periode van ziekte weer een nieuwe periode van 104 weken is aangevangen.

De feiten zijn als volgt. Vanaf 1 oktober 2012 is werknemer als schoonmaker van treinen in dienst bij werkgever getreden. Vanaf 4 december 2014 is werknemer arbeidsongeschikt. Na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid worden de werkzaamheden op 29 augustus 2016 met nachtdiensten weer hervat. Dat gaat op advies van de bedrijfsarts gepaard met een duurzaamheidstoets van vier weken om te zien of herstel daadwerkelijk een gunstig effect heeft, ook met het oog op de nachtdiensten. Op 18 januari 2017 valt werknemer weer volledig ziek uit. De bedrijfsarts oordeelt daarop dat er sprake is van dezelfde klachten als bij de eerdere langdurige uitval en gaat uit van een eerste ziektedag vanaf 6 januari 2017.

Werkgever wijst werknemer vervolgens erop dat deze bij het UWV een WIA-aanvraag moet indienen en heeft inmiddels het loon gestaakt. Werknemer is het daar niet mee eens en vordert loondoorbetaling. De werknemer baseert de vordering erop dat de arbeidsongeschiktheidsperiode die op 4 december 2014 aanving op 29 augustus 2016 is geëindigd op het moment dat hij de bedongen werkzaamheden weer volledig is gaan verrichten. De uitval in januari 2017 moet volgens werknemer gezien worden als een nieuwe ziekteperiode waarop de loondoorbetalingsplicht van 104 weken voor de werkgever opnieuw van toepassing wordt.

De rechter in kort geding oordeelt dat niet in geschil is dat werknemer vanaf 18 januari 2017 wegens ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten en dat de loonvordering ziet op een periode van arbeidsongeschiktheid. De werknemer mocht er dan ook van uit gaan dat hij voorafgaande aan het kort geding niet eerst een second opinion bij het UWV hoefde aan te vragen.

In deze uitspraak komt echter vooral aan bod wanneer de nieuwe periode van 104 weken in de zin van artikel 7:629 BW een aanvang neemt. De rechter keek hierbij naar de gezondheidstoestand van werknemer op en na 29 augustus 2016 en hoe dat in de weg heeft gestaan aan zijn inzetbaarheid in zijn functie. De kantonrechter acht van belang hoe de inroostering in zijn werk op dat moment is gegaan. Hij komt tot de conclusie dat uit het verloop van de re-integratie tot 29 augustus 2016 blijkt dat op het laatst alleen nog het werken in de nacht aan volledige werkhervatting in de weg stond en dat dit beletsel eind augustus 2016 volgens de bedrijfsarts was weggevallen. Ook al komt vast te staan dat het werken in nachtdienst mede heeft bijgedragen aan een hernieuwde uitval dan was dit kennelijk in augustus /september 2016 niet te voorzien. De wettelijke regeling van de loondoorbetaling bij ziekte verzet zich ertegen om in dit geval, in retrospectief en met terugwerkende kracht, de verrichte arbeid aan te merken als iets anders dan de bedongen arbeid. De conclusie is dat werknemer vanaf 26 september 2016 weer volledig hersteld was en de bedongen arbeid weer voor ten minste vier weken achtereen heeft verricht. De uitval in januari 2017 is hierdoor aan te merken als een plicht tot een nieuwe periode van 104 weken loondoorbetaling. De vordering van werknemer wordt toegewezen. Zie voor de uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2017;2526.

Mocht u nadere informatie willen ontvangen over dit onderwerp neem dan contact op met Hock Advocatuur.